Terwijl ik voor de derde keer deze week mijn vloer dweil, (het sneeuwt in Nederland) word ik overvallen door melancholische gedachten. Iets dat op zichzelf best opmerkelijk is, want het is een geestdodende gebeurtenis, dat huishouden. Maar ik denk dus na over het feit dat ik hier en nu, mijn kostbare tijd sta te verdoen en ik er ook niet bepaald jonger op word. Over het feit dat het leven eindig is en dat dit net mijn éne vrije dag is, deze week. En dat die vrije dag al bijna voorbij is voordat ik heb uitgeslapen, ontbeten, internet heb afgestruind en me heb gedoucht. Inclusief tijdrovende grote onderhoudsbeurt van huid en (overtollige) haren. Ik herinner me plots dat ik in een grijs verleden de spreuk ‘carpe diem’ best een waarheid als een koe vond, en er ook eigenlijk best naar wilde gaan leven, maar constateer - door de feiten ingehaald - dat het niet altijd meevalt in het leven als single mum, mét fulltime job en een hulp die maar ééns in de twee weken komt, want meer past niet bij mijn inkomen.
En met iedere vierkante meter schone vloer, verlies ik een klein stukje van mijn idealistische zelf. Oké, ik ben in een pre-menstruele depri-achtige mood, maar dat maakt het niet minder erg. Ik bekijk mijn trieste huishoudtafereel met helicopterview en zie mezelf staan in mijn kleine doorzonwoning, in een even kleurloze doorzonstraat met weinig groen (het is winter, het heeft gesneeuwd, dus dat kan best kloppen) en grauw, troosteloos weer. En dan hebben mijn gedachten nog maar een heel klein sprongetje nodig om uit te komen bij de prangende vraag: is dit alles? Een kind (twee zelfs), een huis, een auto en een baan?
En dan, terwijl er nog heel wat werk op me ligt te wachten, reikt mijn hand naar de telefoon waar het nummer van vriendin onder de sneltoets staat. Het is sterker dan mezelf. Ze neemt op en ze heeft tijd. Godzijdank! Ik ben gered van een dodelijk saai bestaan. Ik ben weer een vrouw van de wereld, (met een verwaarloosd huishouden) die op een gewone doordeweekse dag spontaan uit lunchen gaat.
Naar een Grand café, middenin de bossen, waar de geur van koffie hangt en een knapperend haardvuurtje brand. Waar de bediening je hartelijk begroet, waardoor je je welkom voelt. Waar ik vanaf mijn plekje bij het raam, zie hoe mensen met snowboots aan, kleumend van de kou, met rode wangen, binnen komen na een boswandeling in de sneeuw. Mensen die handenwrijvend de menukaart pakken en een warme chocomelk met slagroom bestellen. Ik draag zelf trouwens mijn nieuwe zwarte laarzen in plaats van mijn felroze snowboots (ik houd niet van wandelen) en de rode blos op mijn wangen is niet van de gezonde buitenlucht, maar van het lege glas wijn dat ik voor me heb staan. Wijn op dinsdagmiddag. Carpe diem! Mijn vriendin drinkt cola. Ze houdt niet van wijn en ze bobt. Ze is niet voor niets mijn vriendin.
En terwijl ik uren later rozig van de warmte en de wijn bij haar in de auto stap, weet ik dat ik er weer even tegen kan. Dat ik zo dadelijk met vereende kracht weer de zoveelste was draai, voor de tig-duizendste keer avondeten kook en wacht tot mijn doorzonwoning - die me plots veel minder saai voorkomt - gevuld wordt met geluiden van thuiskomende kinderen. En alsof het nooit anders is geweest, schiet ik in mijn rol als moeder alsof het een oude comfortabele jas betreft, en brul vanuit de keuken, richting gang: “Schoenen uit! Ik heb nét gedweild!”
Laatste reacties